Deze commercialisering van wat in zijn ogen vrij zou moeten zijn voor iedere gebruiker stootte een zekere Richard Stallman zozeer tegen de borst dat hij besloot actie te ondernemen. Met de typisch Amerikaanse mengeling van naïviteit en dadendrang richtte hij in 1984 de ''Free Software Foundation'', de FSF op. Het essentiële verschil tussen de producten van de FSF en die van de commerciële bedrijven was nadrukkelijk niet dat de FSF-software per definitie gratis zou moeten zijn. In tegenstelling tot wat veel mensen denken wordt er over het verkopen van de software niets bepaald in de legale definitie van het ''GNU copyleft'' (een parodie op copyright), zoals het in de wandelgangen wordt genoemd. Maar wel is iedereen verplicht om de source van de betreffende software altijd mee te leveren en geen beperkingen te leggen op de verdere verspreiding ervan. Het woord ''free'' moet hier dan ook worden gezien zoals in de uitdrukking ''free speech'', niet ''free beer''. Om Richard Stallman zelf aan te halen: ''Een programmeur mag best geld verdienen. Hij en zijn gezin moeten goed kunnen eten als ieder ander, maar hij hoeft dat niet elke dag in een driesterrenrestaurant te doen.''
Natuurlijk werden de ideeën van Richard Stallman door de rest van de wereld weggehoond. Dat verhinderde hem en zijn geestverwanten echter niet om een groot aantal uitstekende softwarepakketten te schrijven die op praktisch elke Unix konden draaien. Vooral op universiteiten gooiden de systeemadministrators zo snel mogelijk de commerciële versies van hun respectievelijke Unixen overboord om daarvoor in de plaats de GNU-utility's te kunnen draaien. En dat gebeurde niet uit het oogpunt van kostenbesparing, want de commerciële applicaties waren immers al betaald, maar omdat de source open was en door honderden programmeurs over de hele wereld kon worden bekeken en verbeterd. Daardoor stak de GNU-software met kop en schouders boven de andere programmatuur uit.